dinsdag 23 december 2014

Roomse Alzheimer

De paus verwijt zijn kardinalen te lijden aan, onder andere, spirituele Alzheimer. En dat is precies waarom ik destijds de Rooms-Katholieke kerk verlaten heb. ook vanwege een aantal andere zaken, maar daar zal ik nu niet op ingaan.

Het geldt in ieder geval hier in Nederland niet alleen de kardinalen die we hebben. Met name ingegeven door het, door veel mensen verkeerd begrepen, Tweede Vaticaans Concilie, in gang gezet door Johannes XXIII, is er vanaf de jaren 70 binnen de katholieke kerk een verregaande vergeetachtigheid ten aanzien van de eigen spirituele erfenis gaande, culminerend in de 8 mei beweging (opgericht in 1985) en het oprichten van de zogenaamde pastorale school in veel diocesen.

Die pastorale school werd voornamelijk bevolkt door huisvrouwen van middelbare leeftijd waarvan de kinderen net de deur uit waren en die iets omhanden moesten hebben.
Logischerwijs kozen die dames voor dat traject, want in die kerk kwamen ze al wel en nu konden ze iets betekenen in de parochie waar ze tot nog niet zo lang daarvoor als vrouw helemaal niets in te brengen hadden. Als ware onderpastoors liepen zij in de parochie belangrijk te wezen en allerlei zaken te bedisselen die ver van dat spirituele leven afstonden.

Logisch dus dat die kerkgang voor de dames (en heren ook natuurlijk) meer en meer een hobby werd van koffie schenken, handjes geven, aanzien verwerven en laagspirituele thema-vierinkjes bedenken, waarbij voor het gemak de eeuwenoude niet begrepen rituelen zo over de heg werden gemikt. Priesters en acolythencolleges die wel enig historisch besef hadden en enig gevoel voor liturgisch decorum werden openbaar geridiculiseerd en soms zelfs op slinkse wijze afgeserveerd, alles in de naam van de nieuw verworven liturgische inzichten, een grote tweedeling als gevolg hebbend: de zogenaamde Malieveldkatholieken tegenover de Maliebaankatholieken. (Malieveld: waar de 8 meibeweging ontstond tijdens een grote manifestatie tegenover Maliebaan, de residentie van de aartsbisschop van Utrecht.)

Mystiek werd verward met een geheim dat ontrafeld diende te worden in plaats van beleefd en de Dienst van het Woord werd vervangen door allerlei profane lezingen die men dacht beter te begrijpen dan de eeuwenoude teksten waar diezelfde mystiek ten diepste uit sprak. De exegese van hen die er in doorgeleerd hadden werd in de meeste gevallen als niet ter zake doend beschouwd, want dat kon men zelf wel. En dat terwijl die dienst van het Woord ons direct verbindt met onze liturgische oorsprong: de synagogale dienst.

Natuurlijk zijn de 15 "ziektes" die de paus nu benoemd voor zijn kardinalen niet nieuw. Dat gaat al eeuwen zo in het door en door verrotte systeem dat de Roomse Kerk heet. Nieuw is dat er nu, voor het eerst in bijna 20 eeuwen, eens een paus is die dit alles in het openbaar aan de kaak stelt zonder direct om zeep geholpen te worden.

De geschiedenis leert ons dat Adrianus VI (de enige Nederlandse paus) aardig hervormingsgezind was op deze zelfde vlakken. Hij was slechts 54 weken paus. Hij was in dat jaar verschillende malen ernstig ziek. Daarvoor niet. Het vermoeden bestaat dat die ziektes niet op natuurlijke wijzen tot stand gekomen waren. Er werden in de eeuwen daarvoor wel meer pausen om zeep geholpen. Ook over Johannes Paulus I, een zeer hervormingsgezinde paus, bestaat het vermoeden dat hij niet op natuurlijke wijze om het leven is gekomen na 33 dagen pausschap.

Men kan alleen maar hopen dat deze paus niet een verkeerd appeltje voorgeschoteld krijgt en we nog meer van dit soort, in Roomse kringen, revolutionaire zaken voorgeschoteld krijgen.

Pax Tecum!

zaterdag 22 november 2014

De taalzeikerd

Er zijn mensen, geloof het of niet, die mij wel eens een zeikerd noemen.
“Jazeker,” riposteer ik dan, “ik ga inderdaad zeker twee keer per dag een plasje doen. Wie niet?”
Dat vinden ze dan niet grappig. Ik wel. En waarom? Omdat ik graag taalspelletjes speel. Omdat ik graag woordgrappen uithaal en omdat ik de uileballen die mij een zeikerd vinden dan weer eens op nummer kan zetten.

“Waarom? Waarom doe je dat dan? Wat is daar nou leuk aan?” vraagt men mij dan wel eens. En daar geef ik dan met graagte antwoord op. Het probleem is alleen dat in onze huidige, snelle maatschappij mensen het geduld niet meer hebben om te luisteren naar een goede uitleg, naar een verhandeling over waarom ik doe wat ik doe. Ik doe en zeg namelijk niets waar ik niet eerst grondig over heb nagedacht. Toegegeven: soms kom ik wat kort door de bocht over, maar als ik wel de moeite neem het argument in mijn bijdrage te vermelden is men vaak nog niet geneigd te luisteren.
Men moet dan namelijk de tijd nemen en nadenken. Nadenken over wat ik nu werkelijk zeg. Het spelen met taal is – uiteraard zou ik bijna zeggen – niet een spelletje dat met één zin uit te leggen is. En vaak is het natuurlijk ook helemaal geen spelletje. Een goed doorwrocht verhaal bestaat niet uit één of twee zinnen, maar bestaat uit een tekst waarin men met zorgvuldige woordkeus duidelijk tracht te maken wat er bedoeld wordt. Maar ja, op sociale media wil men geen lange verhalen. Die slaat men over. Het moet vlug en kortademig. En ja, ook ik maak me daar wel eens schuldig aan.

Als docent maatschappijleer werd mij verboden, van hogerhand, om taal-, schrijf-, en stijlfouten mee te nemen in de beoordeling van de toetsen en werkstukken van mijn leerlingen. Ik mocht ze zelfs niet meer aanduiden. Ik gaf immers geen Nederlands. Dat in het verwoorden van een bepaalde maatschappelijke zaak het gebruik van taal een belangrijke factor is in hoe men overkomt en of je verhaal of argument wel begrepen wordt of niet, deed er niet toe. Op papier de mond vol over vakoverschrijdend onderwijs, maar in de praktijk bleek dus dat men dat eigenlijk niet wilde.
Of ik de leerling dan toch maar een voldoende wilde geven als ik op de één of andere manier een vaag vermoeden had dat de vraag wellicht goed beantwoord zou kunnen zijn. Daarbij schuwde men ook niet om mij op voorhand, aan het begin van het schooljaar, te melden dat ik goed in mijn oren moest knopen dat de school in de afgelopen jaren een honderd procent slagingspercentage had.
Ik heb de leerlingen toen alvast maar allemaal een eindcijfer vijfeneenhalf gegeven. Dat is namelijk genoeg. Niet voldoende, maar genoeg. Het is het failliet van het Nederlandse onderwijs en dat vinden we terug in onze samenleving.

Er zit zo veel meer in taal dan men kan bevroeden, men wil het alleen niet zien want dat kost tijd. Taal is het voertuig van de ziel. Onzorgvuldig taalgebruik duidt op andere onzorgvuldigheden. De ambtenaar die een onzorgvuldig samengestelde tekst naar buiten brengt, wordt niet heel hoog aangeslagen. Een politicus die een taal-, of schrijffout maakt wordt publiekelijk aan de schandpaal genageld, maar zelf? Zelf maakt het niet uit. “Je weet toch wat ik bedoel?” is dan vaak de respons.
Men wil ook niet dat je in je uitleg, als men al luisteren wil, al te moeilijke woorden gebruikt. In hun ogen dan. Riposteren is zo'n woord. Het betekent “snel en gevat antwoord geven.” Ik had natuurlijk ook kunnen schrijven: “Jazeker,” antwoordde ik snel en gevat, “(...)” maar dat heb ik niet gedaan, simpelweg omdat ik riposteren een mooi woord vind en het voor mij net even lekkerder bekt dan de uitleg.

Ooit heb ik theologie gestudeerd. Mensen denken dan vaak dat je de hele dag niks anders zit te doen dan God bestuderen en bidden, maar niets is minder waar. Theologie bestaat voor een belangrijk deel uit het bestuderen van teksten. Teksten die door mensen geschreven zijn over de manier waarop zij in hun God geloofden. Oude teksten, hele oude teksten. Niet alleen de Bijbel, die door mensen opgeschreven is tussen 3000 jaar geleden en 1900 jaar geleden, na een soms eeuwenlange mondelinge overlevering, maar ook geschiedkundige werken uit die tijd. Tacitus, Suetonius en Flavius Josephus bijvoorbeeld.
Het uitleggen van zo'n tekst, of eigenlijk een bibliotheek aan teksten die in verschillende tijden zijn opgeschreven, verschillende sociaal culturele, historisch geografische en politieke contexten hebben die hele andere mens-, wereld-, en godsbeelden inhouden, is geen sinecure.
Het betekent niet alleen het bestuderen van de taal waarin die teksten oorspronkelijk geschreven zijn (Aramees, koinègrieks en Latijn) maar ook een gedegen bestudering van de eigen taal. Het is een gedegen geschiedkundige studie naar hoe onze maatschappij geworden is wat het geworden is en een meer dan gedegen, veel omvattende taalstudie. Pur sang.

Het probleem met taal is dat mensen, ik uiteraard ook, geneigd zijn om net even iets te veel te willen uitleggen. Daarom is voor mij een tekst vaak niet om door te komen. Koste wat het kost willen zij de moeilijke woorden voorkomen en produceren dan een draak van een tekst. Ik kan me overigens niet aan de indruk onttrekken dat u deze tekst wellicht onder diezelfde categorie schaart.
Tegelijkertijd zien we ook het probleem dat het mensen hoegenaamd geen biet kan schelen. Het moet kort, het moet snel, het moet voor de grootste gemene deler. En hoe men het schrijft doet er dan niet toe.

Ik heb over taal met mijn schrijfdocent op de kleinkunstopleiding (want daar heb ik ook nog even rondgewandeld) verschrikkelijke ruzie gemaakt destijds. Van haar mocht ik het woord riposteren niet gebruiken. Of hospitant. Vergelijkbare woorden. Ik moest, zo vond zij, naar mijn publiek toe schrijven. Mijn antwoord daarop was vrij eenvoudig: “Ik hoef geen André van Duinpubliek. Ik spiegel mij dan liever aan taalkunstenaars als Drs. P. of Freek de Jonge. In ieder geval aan diegenen die op een, in mijn ogen, intelligentere manier omgaan met taal dan meneer Kyvon.”

Dat vond zij arrogant. Ik niet. Als kunstenaar bepaal ik toch zeker zelf wel wat ik maak? Daar heb ik geen anderen bij nodig en is het volslagen irrelevant of een ander die kunst begrijpt.

Uiteraard is het wat anders als je de opdracht krijgt om een stuk te schrijven voor een bepaalde doelgroep. In zo'n geval zou ik beslist kijken naar de gemiddelde taalbeheersing van degenen voor wie ik het schrijf, maar ook daar hoeft het niet zo te zijn dat zogenaamde moeilijke woorden absoluut vermeden dienen te worden. Er mag best een verheffend randje aan zitten.
Ongeveer 15 jaar geleden was er een reclamemaker die het nodig vond om in zijn reclamefilmpje het woord “significant” te gebruiken. Een woord dat wetenschappelijke onderzoekers uiteraard wel kende, maar het grote publiek niet.
Ik herinner me dat na de eerste uitzendingen van dat filmpje, mensen massaal naar het woordenboek hadden gegrepen om de betekenis op te zoeken, want in de weken die daar op volgden waren er significant meer mensen dan daarvoor die het woord te pas en te onpas gebruikten. Datzelfde geldt voor het door Drs. P. gebruikte woord “commensaal” in zijn liedje “Trapportaal.” U gelooft toch zeker zelf niet dat in 1957, toen dit lied voor het eerst werd uitgebracht, de grote goegemeente dit woord kende? Welnee! Men greep massaal naar het woordenboek.

Tegenwoordig doet men dat niet meer. Men staat niet meer op om het woordenboek uit de kast te pakken, als ze er al nog één in huis hebben. En dat hoeft ook niet meer, want zittend in de luie stoel weet men met twee, drie muisklikken de betekenis van een bepaald woord wel op het Internet te vinden. Probleem is alleen dat men dat niet doet. Men is er te lui voor geworden. Men wil alles in hapklare brokken voorgeschoteld krijgen. En daar word ik dus een beetje kriegel van.

Aanleiding voor dit stuk zijn twee Alphense journalisten die klaagden over een stuk dat het ministerie van economische zaken had verzonden naar aanleiding van de uitgebroken vogelgriep in één van onze randgemeenten en het feit dat er een heleboel kippen geruimd dienen te worden.
In het bericht van het ministerie staat dat uitgezocht gaat worden of het om een hoogpathogene of een laagpathogene variant gaat. En daar vallen deze journalisten over. Het is te moeilijk. Dat begrijpen mensen niet, en sterker nog, men zou zichzelf toch wel erg laaggeletterd gaan vinden van zo'n stuk.

Nu staat er maar één moeilijk woord in dat hele stuk: pathogeen. Ik ken dat woord, want ik heb ooit tien jaar rondgedard in een academisch ziekenhuis, maar ik kan me prima voorstellen dat er mensen zijn die dat woord niet kennen. Maar ja, zoals gezegd: te lui om een woordenboek te pakken of om even naar Google te surfen.
En wat me dan nog het meeste ergert is dat juist journalisten tot taak hebben om dit soort teksten te herschrijven naar hun eigen doelgroep. En als die doelgroep bestaat uit de daadwerkelijke lezers van een kattenbakkrantje, dan moet je dus niet zeuren, dan moet je dus een woordenboek pakken.

Maar nee, in plaats van een béétje moeite doen wordt de betreffende ambtenaar, die een prima stuk schreef, verweten dat die een moeilijk woord gebruikte. Graag hebben ze kopij voor hun “krant,” maar het liefst kant en klaar aangeleverd, kort, bondig en in Jip en Janneke taal. Mijn hertaling van het persbericht in een tekstje met alleen maar éénlettergrepige woorden werd dan ook niet gewaardeerd. Ik kreeg zelfs het verwijt een beperkt wereldje te hebben. En dat van een journaliste die te lui is om een woordenboek te pakken, te lui is om de aangeleverde tekst even voor haar doelgroep te hertalen en op haar website vol Engelse termen dure cursusjes tekstschrijven aanbiedt.
Als het niet om te huilen was zou ik er hartelijk om gelachen hebben. Ben ik een zeikerd? Jazeker! Maar wel één die die geuzenbenaming met trots draagt!

Waarvan akte en gaat over tot de orde van de dag.

maandag 31 maart 2014

Vanmiddag, 31 maart 2014, is om tien voor half drie mijn moeder overleden op 80 jarige leeftijd.

Na haar hersenbloeding van oktober 2012 ging het langzamerhand steeds slechter met haar. Hoe verdrietig ik ook ben nu, ik ben blij dat haar nog meer aftakeling bespaard is gebleven.

Mamma was een sterke vrouw, en moeilijke vrouw soms, want zo eigenwijs als wat, maar uitermate zorgzaam. Tot aan haar laatste adem heeft ze willen zorgen door ons – wij waren er allemaal bij, mijn broers, zussen en ik – op het hart te drukken op elkaar te blijven letten. En ofschoon ik er een hard hoofd in heb dat dat daadwerkelijk gaat gebeuren, neem ik haar woorden ter harte.

Als kind uit de jaren 30 crisis met de Tweede Wereldoorlog als decor voor haar opgroeien als jonge puber, heeft zij vanaf eind jaren veertig, toen zij er vanaf haar vijftiende levensjaar alleen voor stond, méér dan hard gewerkt als verpleegkundige in het Sint Joseph Ziekenhuis te Gouda en het Academisch Ziekenhuis te Leiden. Het waren vreemden die haar opvingen in die eerste jaren na de oorlog en die voor haar zorgde als ware zij deel van die familie.

Moeilijk kreeg ze het toen ze als leerling-verpleegkundige uit het raam viel van de eerste verdieping van het Sint Joseph Ziekenhuis waar ze van de nonnen de opdracht kreeg om, half uit het raam hangend, de ramen te zemen. Het was een tijd van sterke hiërarchie en afgedwongen respect op basis van positie. Ze brak haar rug op verschillende plekken.

Haar sterke karakter toonde zich door, na haar revalidatie, haar opleiding tot verpleegkundige af te maken in het Academisch Ziekenhuis om vervolgens de kraamaantekening – het zogenaamde ooievaartje – te gaan halen in de Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen te Rotterdam. Ze slaagde met vlag en wimpel!

Moeilijk kreeg ze het toen ze in de jaren 60 niet gepland in verwachting raakte van mij. Een zogenaamde schande was het! Talloze mensen hebben op haar ingepraat om het kind af te staan, inclusief haar eigen moeder. De vrouw die haar altijd verweten had – letterlijk – dat ze geboren was! De uitkomst van het verhaal is dat als ze geluisterd had naar die kwade tongen ik nu niet dit verhaal had zitten tikken.

Na vier en een half jaar met mij alleen te hebben geploeterd, trouwde mamma met een weduwnaar met zes kinderen. Deze zes, inclusief het zusje dat uit deze verbintenis voortkwam, heb ik altijd als mijn broers en zusters beschouwd. Het was weer een moeilijke tijd voor haar. Altijd alleen thuis, de zorg hebbend voor acht kinderen, gaat niet in iemands koude kleren zitten.

Moeilijk kreeg ze het toen ze haar kleindochter Melissa en haar kleinzoon Pieter aan de dood moest afstaan. Vol vuur heeft ze gebeden voor hun zieleheil in de overtuiging dat ze in hemelse sferen verkeren en haar zullen opwachten wanneer het haar tijd zou zijn.

Naast alle zorg voor het gezin had mamma altijd tijd voor vrijwilligerswerk. Als lector in de kerk, als lid van het kerkbestuur, voor de vereniging Kattenzorg en nog vele andere instanties. Nooit heeft mamma daar een officiële erkenning voor gekregen en ze verdiende wel twee lintjes!

Ja. Mamma was eigenwijs. Deed alles op haar manier en alles moest ook gaan zoals zij vond dat het nodig was. Dat heeft niet iedereen haar, gedurende haar leven, in dank afgenomen, maar het laat onverlet dat zij zich, met niet aflatende inzet, druk heeft gemaakt om allerhande maatschappelijke zaken waarvan zij vond dat die verbetering behoefden.

Moeilijk kreeg ze het toen het leven zich aan haar toonde in alle ongemakken die een mens maar kan bedenken: kunstheup, kunstknie, kunstvingergewricht, het afzetten van een pink, schildklier, diabetes, een hartkwaal, een pacemaker, artrose, reuma en de wagonladingen medicijnen die geslikt moesten worden.

Toen twee jaar geleden, redelijk plotseling, pappa overleed stond ze er feitelijk weer alleen voor. Haar wil om dingen te ondernemen werd zwaar bemoeilijkt door alle lichamelijke ongemakken. Het viel haar zwaar, heel zwaar.

Nog moeilijker werd het toen er zich, anderhalf jaar geleden, een hersenbloeding voor deed en één van de belangrijkste lichamelijke functies, schrijven, voor haar onmogelijk werd. Langzaamaan kon ze minder en minder, ondanks alle hulp en hulpmiddelen die we voor haar aanvroegen en regelden.

Vanmiddag sloot mamma haar ogen. Voorgoed. Onder de klanken van haar geliefde “Veni Jesu Amor Mi” dat wij bij haar hebben aangezet. Moegestreden en op. Echt op!

Lieve mamma, boven wachten wat mensen op je: pappa met een dikke sigaar en een grap waar hij zelf het hardst om lacht, Pieter met een practical joke en Melissa met haar armpjes wijd naar je uitgestrekt. Geen pijn meer, geen beperkingen meer. Rust zacht. Ik hou van je!

In paradisum deducant te angeli;
in tuo adventu suscipiant te martyres

et perducant te in civitatem sanctam Jerusalem.
Chorus angelorum te suscipiat
et cum Lazaro, quondam paupere,
aeternam habeas requiem.

dinsdag 31 juli 2012

Te duur

Toen ik vorig jaar met mijn moedertje bij een cardioloog zat, althans, een cardioloog in opleiding, om te kijken wat er gedaan kon worden aan haar hartfalen, bestond het de sukkel om haar te vertellen dat een pacemaker er niet in zat omdat het een veel te dure behandeling zou zijn. Dat zei deze halve specialist letterlijk zo. Te duur.

Onnodig te zeggen dat zowel mijn moeder als ik, na eerst vol ongeloof vastgenageld gezeten te hebben aan onze stoelen, woest waren om de uitspraak van deze randdebiel. Uiteraard hebben we hem van repliek gediend, een dijk van een klacht ingediend en een second en third opinion aangevraagd.
Resultaat? Mijn moeder heeft nu een ICD en heeft een kwalitatief beter leven dan voorheen. Minder kortademig, kan langere stukken lopen, waardoor ze weer eens ergens komt met als gevolg dat ze weer enigszins van het leven kan genieten. 
De klacht? Nooit meer iets van gehoord! Als mijn moeder "Van Oranje Nassau" had geheten was deze hele geschiedenis een tikkie anders gegaan kan ik u vertellen. Dat was er op geen enkele wijze over geld gesproken. Dan was er een blanco cheque uitgegeven.

Het gevecht dat gewone mensen als u en ik moeten leveren bij artsen om iets gedaan te krijgen tegen de klachten waarmee wij ons tot hen wenden is ontaard in een ordinaire centenkwestie. Artsen kijken niet meer naar of een behandeling medisch gesproken zin heeft en of er na een behandeling meer kwaliteit van leven te verwachten is. Nee, men kijkt tegenwoordig naar het kostenplaatje.

De neoliberalen van Nederland schrijven doodleuk (website Liberale Media) dat er geen marktwerking in de zorg is omdat de patiënt immers geen consument is, maar wat deze gruwelen der natuur vergeten is dat er over de ruggen van (ernstig) zieken aardig gemarchandeerd wordt. De patiënt is inderdaad geen consument, maar ook geen patiënt meer. De patiënt is het lijdend voorwerp geworden in een walgelijke neoliberale marktwerkingsrace om de meeste centen.

Het College voor Zorgverzekeraars, een overheidsinstelling waar afgeserveerde politici en ambtenaren naar worden weggepromoveerd, doet daar nog eens een schepje bovenop:
Het CvZ adviseert de minister om medicijnen voor enkele zeldzame aandoeningen niet langer meer te vergoeden. Simpelweg omdat het te duur is.
Nu bestaat de raad van bestuur van het CvZ uit drie mensen. Arnold Moerkamp, Bert Boer en Marian Grobbink.

Arnold Moerkamp is een bouwkundig planoloog. Zeg maar een opgewaardeerde metselaar.
Bert Boer is een huisarst. U weet wel, een generalist. Weet van alles een beetje en niets van het geheel. Voor iedere puist wordt u doorverwezen naar een specialist om vervolgens een dikke rekening te presenteren aan uw zorgverzekeraar.
Marian Grobbink is een verandermanager. Als u weet wat dat in godsnaam is, mag u het zeggen. O ja, ze heeft ook nog wiskunde gestudeerd. Die hebben we namelijk nodig voor de statistieken en andere leugens.

Deze drie adviseren de minister dat de ziekte waar u aan lijdt economisch niet verantwoord is. Dat het teveel Eurootjes kost.
Daarnaast weet Marian Grobbink op Youtube met een duivelse grimas op haar gezicht te melden dat we nog best wat extra kunnen bezuinigen op professionele zorg voor mensen. Dat moet maar door vrijwilligers worden gedaan.

Heeft u, beste lezer, al eens gekeken hoe uw (groot)ouders er aan toe zijn in het verzorgings-, of verpleeghuis waar ze nu zitten? Volgens Grobbink kan Activite met nóg wel wat minder personeel toe. Het is nu eenmaal economisch niet verantwoord om voor al die oude, zieke en nutteloze mensen zoveel geld uit te geven.

Volgens mij zijn er genoeg mensen te vinden die, voor de helft van wat deze drie "verdienen," hun taken met graagte zouden willen overnemen.
Kotsmisselijk word ik er van. 
Wedden dat anti-emetica binnenkort uit het pakket worden geschrapt?

Pax tecum

zondag 29 juli 2012

Het boek van mij

Ik ben een boek. Een groot dik boek vol prenten en verhalen, liederen en poëzie. Dik beschreven met onuitwisbare inkt en met bijna uitgeveegde potloodlijntjes.

Lees mij als een schurkenroman, als een onvoorstelbaar avontuur en lees mij als een krant, koppensnellend vlug. Lees over mijn oppervlakkigheden en mijn diepzinnigheid, mijn boosheid en mijn liefde. Lees me. Lees me dan?

Mijn bladen zijn van goud, van ijzer en van glas. Juweeltjes heb ik, ben ik, en vastgeroest in mijn gewoonten. Doorzichtig en voorspelbaar.
Bladzijden van perkament, vol met oude verhalen. Pagina's van water, olie, vuur, beschrijvingen van golvende bewegingen in mijn bestaan, mijn brandstof en mijn passies.

Wees voorzichtig als je mij leest. Heel wat bladzijden zijn gemaakt van kwetsbaar vloeipapier. Hier lees je al mijn tranen. Sla ze heel voorzichtig om, want ieder blad is doordrenkt.

Alles wat ik vind is geschreven op lucht, soms bewolkt en grauw, dan weer blauw en strak en soms is daar een storm. Blader dan gewoon weer door.

En als je mij dan leest, ontdek dan dat er tussen al die regels heel veel wit zit. En heel veel pagina's met niets daarop. Daar schrijf jij dan weer wat op of ik dat nu leuk vind of niet.

Maar eerst moet je zien dat je mij weet te openen. Mijn kaft is nogal zwaar, gemaakt van lood en van beton. Een zwaar gouden slot houdt de kaften bijeen en zij die de sleutel weten te bemachtigen lezen en kijken en zingen met mij mee.
Die sleutel is niet zo moeilijk te vinden. Hij heet oprechtheid en waardigheid, eerlijkheid en liefde. 

Kom op! Lees me! Lees me dan!?

maandag 16 juli 2012

Vroegâh

Vroeger kon je nog wel eens lekker met iemand discussieren over allerhande onderwerpen. Hard en meedogenloos werd dan de ene stelling na de ander op tafel gesmeten waarna degene die het er niet mee eens was bijkans van zijn stoel viel van verontwaardiging en met de nodige stemverheffing zijn tegenargument in de strijd wierp.

Vroeger konden die discussies ook bestaan uit louter argumenten omtrent het besprokene en eigenlijk helemaal niet op de man gespeeld worden. Dat heette debatteren of discussiëren of zelfs disputeren.

Ik heb zulke disputen nog wel eens met vriendje Rob. Onder het genot van een lekker glaasje bier kunnen wij heftig discussieren over allerhande onderwerpen: politiek (hij D66, ik SP), muziek (hij Phil Collins, ik gruw ervan), of een synthesizer nu een instrument is of een apparaat (hij instrument, ik apparaat), dat soort zaken.
Soms gaat de discussie er zo heftig aan toe dat wel allebei pisnijdig zijn en elkaar "voor straf" een paar weken niet aankijken. Dat is gewoon lekker! Al blijven we elkaar in die paar weken dan wel gewoon gedag zeggen. Dat niet aankijken behelst eigenlijk niet meer dan een elkaar toegeworpen blik die zegt: "Ik ga even niet meer met jou in discussie."

Op een gegeven moment, een moment dat niet nader te omschrijven is, is die situatie over en hebben wij gewoon weer onze gesprekken als vanouds. We hebben dan ook een gezamenlijk belang: we verblijven met enige regelmaat in dezelfde ruimte, zoeken ons vertier in dezelfde omgeving en gaan met dezelfde mensen om. Het zou natuurlijk van een bedroevende trieste instelling getuigen dat gezamenlijke belang te schaden.

In de Alphense politiek gaat dat een béétje anders.
Ik heb ooit in een reactie op Alphens.nl een indruk gegeven die ik had van Ruud Gebel, de fractievoorzitter van de VVD. Ik kende de man niet en ik ken hem nog niet. Wanneer ik hem tegenkom in het stadhuis draait hij zich ostentatief om en beent weg. Ik schreef mijn indruk naar aanleiding van een column die hij zelf geschreven had. Het ging hier om het gedrag van Ruud dat ik niet in overeenstemming vond zijn met wat hij zelf schreef. Het ging om geïnformeerd vertrouwen waar hij over schreef en waarbij ik constateerde dat er geen of veel te weinig informatie werd verstrekt en het dús niet gek is dat ik hem niet vertrouw. Waarover is nu even irrelevant. Het ging ook over de wijze waarop Ruud meende te meten melden waaróm wij de Alphense politici moesten vertrouwen. Zij waren immers gekozen, zij werden er immers voor betaald en dús waren zij terzake kundig en moest het electoraat zijn waffel maar houden. Ik toonde slechts de ridiculiteit van deze stellingname aan.
Het gevolg was dat Ruud en plein publique (want: op Twitter) meende te moeten melden dat hij "zoiets niet hoeft te pikken van een min mannetje". Dit uiteraard in volle tegenspraak met zijn stellingname dat men en plein publique beschaafd en netjes met elkaar dient om te gaan. 
Ruud meende mij daarom te moeten blokkeren op Twitter. Dat is natuurlijk zijn goed recht, de functie zit er niet voor niets op, maar het tekent natuurlijk wel de onmacht en de onwil om te luisteren naar wat een ander te vertellen heeft.

Voor dat u nu denkt dat het hier alleen om Ruud Gebel gaat: Nee hoor! Ook René Driesen, de fractievoorzitter van GroenLinks, kan er wat van. En bij de discussie met René ging het niet eens over politieke zaken. Nee, het ging over of The Cats, u weet wel, die Volendamse band rond Piet Veerman, bagger was of niet. Zo'n lekker typische kroegdiscussie die ten diepste natuurlijk nergens over gaat, maar waar ik vanuit mijn vaktechnische inzichten (muziek en theater) best iets zinnigs over te vertellen heb. Deze kroegdiscussie vond overigens op Facebook plaats.
René vindt het niet kunnen dat iets wat hij mooi vindt op grond van vaktechnische argumenten door ondergetekende als bagger wordt bestempeld en besluit de blokkeerfunctie te gebruiken. Ontvrienden of ontvolgen is niet voldoende, nee nee. Blokkeren die hap!

Van beide heren is dat natuurlijk van een bijzonder kinderachtig niveau. Toch neem ik het beide heren niet kwalijk, mits ze na 2013 niet meer terug te vinden zijn in de Alphense raad.
Stelt u zich eens voor dat hetzelfde gebeurt in de Alphense raad. Er wordt iets gezegd door één der raadsleden en ergens, op een andere stoel, wordt een bordje omhoog gehouden waarop met chocoladeletters "GEBLOKT" is geschreven. De wereldpers zou ervan smullen!

Beide heren hebben niet door dat social media als Facebook en Twitter niet alleen maar "leuk voor erbij" is, maar dat die social media tegenwoordig van het allergrootste belang is om jezelf te profileren als politicus en te vernemen wat "de burger" denkt, ook al "like" je het niet. Door mensen te blokkeren geef je slechts aan dat je geen interesse hebt in datgene wat er leeft onder de bevolking, dat je je slechts richt op de grote zwijgende meerderheid, het stemvee, ten einde na de verkiezingen gewoon door te gaan met datgene waar je geen verstand van hebt.

Beide heren zien niet dat wij hier een gezamenlijk belang hebben: Alphen aan den Rijn heet dat gezamenlijke belang. Van harte hoop ik dan ook dat men zich, bij zowel de Alphense afdeling van de VVD als de Alphense afdeling van GroenLinks, gaat realiseren dat men beter af is met een aantal mensen die wél in staat zijn mee te gaan in de vaart der volkeren, die wél in staat zijn, zoals vroegâh, gewoon eens lekker boos te zijn op iemand die zijn waffel opentrekt, maar vervolgens toch de beschaafdheid in acht kan blijven nemen om te blijven luisteren. "Like" it or not!

Maar ik maak me geen illusies hoor! Ik loop al wat langer mee dan vandaag! Het zou zomaar kunnen dat politici nu na gaan denken over hoe social media tóch te implementeren is in de moderne politiek.
Ik weet bijna zeker dat het eerste punt op de agenda van de eerste raadsvergadering na het reces is of het laten maken van blokkeerbordjes voor in de raadsvergaderingen Europees moet worden aanbesteedt of niet!

Pax tecum!

vrijdag 6 juli 2012

krokodillentranen

Tandartsen huilen dikke krokodillentranen. De prijzen zouden moeten dalen. Dat was het idee. In tegenstelling tot dat idee zijn de prijzen gestegen met ruim 9 procent. Volgens eigen onderzoek van de tandartsen zelf (de slager die zijn eigen vlees keurt) met "slechts" 4 procent.

Zij begrijpen kennelijk niet dat, of het nou 4 of 9 procent is, het in beide gevallen niet de bedoeling was.

En dan de huilerige drogredenering dat de overheid het anders zelf wel met 3 procent had verhoogd. Dat zou dan hoogstens een inflatiecorrectie zijn geweest.

Wat Nederlandse tandartsen (die hun in loondienst werkende collega's neerbuigend aanduiden als niet-praktiserend) graag gevoelen is dat zij vooraleerst ondernemer willen zijn en dan pas tandarts.

Dat is mijns inziens net even de omgekeerde wereld. Mijn opmerking aan graaiende tandartsjes is simpel: je koopt maar een minder dikke auto, en als je zonodig de ondernemer wil uithangen dan huur je maar een marktkraam waarin je de zakdoeken gaat verkopen voor al die grote krokodillentranen!

Pax tecum!